
Lorem Ipsum is simply dummy text of the printing and typesetting industry.
Lorem Ipsum has been the industry's standard dummy text ever since the 1500s,
when an unknown printer took a galley of type and scrambled it to make a type specimen book.
It has survived not only five centuries, but also the leap into electronic typesetting, remaining essentially unchanged.
It was popularised in the 1960s with the release of Letraset sheets containing Lorem Ipsum passages,
and more recently with desktop publishing software like Aldus PageMaker including versions of Lorem Ipsum.

Lorem Ipsum is simply dummy text of the printing and typesetting industry.
Lorem Ipsum has been the industry's standard dummy text ever since the 1500s,
when an unknown printer took a galley of type and scrambled it to make a type specimen book.
It has survived not only five centuries, but also the leap into electronic typesetting, remaining essentially unchanged.
It was popularised in the 1960s with the release of Letraset sheets containing Lorem Ipsum passages,
and more recently with desktop publishing software like Aldus PageMaker including versions of Lorem Ipsum.
Van ijstijd tot tropen
Een voortdurend veranderd klimaat
2.000.000 - 10.000 v. chr,
Diep onder de grond liggen schelpen uit de periode dat deze
streek een koude zee was. Ook kun je er de resten vinden van planten die
hier groeiden toen het een tropisch moeras was. Het klimaat verandert
voortdurend. Sinds mensenheugenis kent Voorne-Putten en Rozenburg een
gematigd zeeklimaat met koele zomers en zachte winters. Duiken we echter
in het verre verleden, dan blijkt deze streek afwisselend ijskoud en
subtropisch warm te zijn geweest.
Hoe het klimaat en het landschap zich ontwikkelden is bekend door
onderzoek in het bodemarchief. De grond onder onze voeten is opgebouwd
uit talloze grondlagen. Door middel van grondboringen kunnen lagen uit
een bepaalde periode omhoog worden gehaald en onderzocht. Op basis van
een analyse van de minuscule fossielen, plantenzaden en stuifmeelpollen
is een reconstructie te maken van het landschap in een specifieke
periode. Zo duidt de vondst van schelpen van de Noordkromp in een
geologische laag op ruim 104 meter diepte erop dat Voorne-Putten twee
miljoen jaar geleden onder de zeespiegel lag en het water enkele graden
kouder was dan tegenwoordig. Voorne-Putten kwam droog te liggen zodra de
ijstijd haar intrede deed en het zeewaterpeil met enkele tientallen
meters daalde. De ijsmassa’s hebben Voorne-Putten nooit bedekt, maar
hadden wel een ingrijpende invloed op het landschap: het smeltwater
zette grind en zand af en zo ontstonden steeds weer nieuwe grondlagen.
Vondsten van plantenresten en schelpen maken duidelijk dat het gebied
afwisselend voor langere tijd droog viel en weer overstroomde. Die
situatie bleef millennialang bestaan en de bodem werd constant met
nieuwe afzettingen opgehoogd. Op een diepte van zestig tot zeventig
meter bevindt zich een laag met de ouderdom van ongeveer 1,5 miljoen
jaar. Voorne-Putten stond op dat moment droog en had een subtropisch
klimaat. In de moerassige omgeving groeiden wilde druif, rode
waterlelie, de rubberboom en diverse vleesetende planten. Het wemelde
ook van de kleine zoogdieren, soorten die veelal allang zijn
uitgestorven: watermollen, grondeekhoorns, bever- en marterachtigen en
grote insecteneters. Dit levendige landschap werd door de verschillende
ijstijden weggevaagd. Door de kou veranderde Voorne-Putten in een
onherbergzame en onleefbare plek. Pas nadat het klimaat weer begon op te
warmen keerden planten en dieren terug. Lang voordat de mens er zijn
stempel op zette, was er op Voorne-Putten sprake van een dynamisch
landschap met een uitbundig dieren- en plantenleven.
Jagers en verzamelaars
Ca. 8.000 voor Christus
Het voedselrijke deltagebied trok zo’n 10.000 jaar geleden de eerste mensen die zich in leven hielden met vissen, jagen en het verzamelen van vruchten en eetbare planten. Zo’n tienduizend jaar geleden verkenden de eerste mensen het gebied dat het huidige Voorne-Putten omvat. De laatste ijstijd liep op z’n einde: het klimaat werd warmer en de dikke pakken landijs, die Europa deels bedekten, begonnen te smelten.
De zeespiegel lag tijdens de ijstijd aanzienlijk lager: de Noordzee bestond nog niet, zodat mensen en dieren ongehinderd naar Engeland konden lopen. Vissers op de Noordzee halen vandaag de dag nog regelmatig botten, kiezen en slagtanden boven water van de mammoeten die ooit op de bodem van de Noordzee graasden. Grote zoogdieren zoals olifanten, leeuwen, reuzenherten en wolharige neushoorns kwamen hier zo’n 40.000 jaar geleden in groten getale voor, maar hadden omstreeks 8.000 voor Christus allang plaats gemaakt voor kleinere dieren. Er scharrelden muizen, hazen, marters en herten rond. In deze periode verschenen ook steeds meer dieren die door de mens werden getemd en als huisdieren gebruikt: honden, varkens, paarden, schapen, koeien en geiten. Tijdens het einde van de ijstijd zocht het smeltwater een weg naar zee en sleet daarbij een breed rivierdal uit: de Maasdelta. Door het smeltende ijs steeg bovendien de zeespiegel en ontstond de Noordzee, waardoor Engeland een eiland werd en Nederland een kustlijn kreeg. Voorne-Putten lag voortaan niet alleen langs de rivier de Maas, maar ook aan zee. In dit moerassige deltagebied leefden vogels en vissen en op de hoger gelegen gebieden groeiden struiken en bomen. Deze voedselrijke regio was erg aantrekkelijk voor mensen, die zich in leven hielden met vissen, jagen en het verzamelen van vruchten en planten. Er is niets bekend over hoe deze mensen zich kleedden, welke taal ze spraken en of ze bijvoorbeeld een geloof hadden. De enige bewijzen dat in deze regio mensen leefden, zijn de gereedschappen en jachtwerktuigen die bij opgravingen worden aangetroffen. Vondsten uit deze tijd zijn echter zeldzaam: ze liggen immers erg diep onder de grond en worden hooguit bij toeval gevonden. Heel soms worden bijltjes en benen pijlpunten uit de Noordzee opgevist en tijdens de aanleg van de Maasvlakte kwamen bij het opzuigen van zand van de bodem van de Noordzee benen harpoenpunten en een stenen beiteltje te voorschijn.
Kwestbaar boerenleven
Ca. 3.000 - 50 voor Christus
Boeren kwamen naar Voorne-Putten om graan te telen op het vruchtbare land. De grote boerderijen bestonden uit een woongedeelte en een stal met ruimte voor soms wel twintig koeien.Langs de kust van Voorne bood een duinenrij bescherming tegen het zoute zeewater, maar de duinen zorgden er ook voor dat het zoete regen- en smeltwater niet makkelijk kon wegstromen. Dat had grote invloed op het landschap.
Er ontstond namelijk een weelderige begroeiing, waarvan de afgestorven bladeren en plantenresten in de waterrijke omgeving geen kans kregen te verteren. Zodoende ontstond er een sponzige veenlaag van soms wel enkele meters dik. Voorne-Putten veranderde hierdoor in een ontoegankelijk moeras. Zware stormen sloegen soms gaten in de duinenrij, waarna er geulen en kreken in het veenlandschap ontstonden waarlangs het water uit het moeras kon wegstromen. Bepaalde gebieden kwamen droog te staan en de hoger gelegen oevers langs zoetwaterkreken werden zelfs bewoonbaar. Rond Spijkenisse en Hekelingen zijn veel vondsten uit de Steentijd gedaan. Zo is er een kampement ontdekt dat vele jaren gebruikt moet zijn door rondtrekkende jagers, die er uitrustten, hun vangsten bewerkten en jachtwerktuigen repareerden. Een vergelijkbare kampplaats uit de Late Steentijd en de Vroege Bronstijd (2200-1800 v. Chr.) werd in Hellevoetsluis aangetroffen. Bij een opgraving troffen archeologen resten houtskool, vuursteen, visresten, botten, verkoold graan en aardewerk aan. Gedurende de Bronstijd (2100 tot 800 v. Chr.) veranderde Voorne-Putten door veengroei opnieuw in een ontoegankelijk moeras. Tijdens de daaropvolgende IJzertijd (800 – 50 v. Chr.) zorgden nieuwe kreken en geulen ervoor dat het landschap weer wat droger werd. Op gunstige plekken gingen boeren wonen, die landbouw bedreven en vee hielden. De boerderijen waren soms wel 25 meter lang en bestonden uit een woongedeelte en een stalgedeelte met ruimte voor twintig of meer runderen. In Spijkenisse is een boerderij opgegraven die in de Late IJzertijd (300 – 50 v. Chr.) op de oever van een kreek stond. Naast versierd aardewerk (met nagelindrukken en lijnen) werd ook een smeltkroesje aangetroffen dat gebruikt is voor metaalbewerking. De gevonden metaalslakken bewijzen dat er koper of brons werd gesmolten. Er kan dan ook met recht worden gesproken over een IJzertijd op Voorne-Putten. Elke opgraving levert nieuwe kennis op over de vroegste bewoners van Voorne en Putten. Het laat zien dat ze hun leven als jagers en verzamelaars langzamerhand inruilden voor dat van boer.
De Romeinse tijd
51 voor Christus – ca. 400
De Romeinen veroverden grote delen van Europa en belandden ook op Voorne-Putten. De lokale bewoners profiteerden van de aanwezige militairen, want ze dreven handel met ze.De tientallen opgegraven boerderijen uit de Romeinse tijd geven aan dat Voorne-Putten in deze tijd intensief werd bewoond. Akkerbouw en veeteelt leverden meer dan genoeg voedsel op: een deel kon worden verhandeld aan de hier aanwezige Romeinen.
De monding van de Maas werd door de Romeinen als het Helinium aangeduid. De Maas ontwikkelde zich tot een belangrijk knooppunt voor schepen die handel dreven tussen Duitsland, Engeland en Scandinavië. Omstreeks het begin van de jaartelling kreeg het Helinium een militaire functie. De kustregio’s werden namelijk steeds vaker geplunderd door de Chauken uit Groningen en Noord-Duitsland. Om die aanvallen af te slaan werden er langs de kust forten gebouwd. Ook nabij Oostvoorne verrees een Romeinse versterking. Alle sporen hiervan zijn echter in de loop der eeuwen vernietigd door sloop en overstromingen. Diverse archeologische vondsten bevestigen de aanwezigheid van Romeinse militairen in deze regio. Zo is er op de Maasvlakte een bord met stempels van een kleine ruitereenheid en een dakpan met de letters LEG(ionis) (leger) gevonden. Een legerplaats betekende een stimulans voor de economie. De militairen kochten voedsel van de lokale boeren en maakten gebruik van uiteenlopende diensten die ambachtslieden uit de regio te bieden hadden. Die vele contacten zorgden ervoor dat de inheemse bevolking aspecten uit de Romeinse cultuur overnamen. Een opgraving in Spijkenisse in 1995 illustreert deze romanisering. Er werd een villa-achtig gebouw gevonden dat omstreeks de tweede eeuw moet zijn gebouwd. De bouwtechniek week duidelijk af van de inheemse huizen op Voorne-Putten. Aan weerszijde van de toegangsdeur stonden zuilen en het dak was bedekt met dakpannen. De bewoners behoorden ongetwijfeld tot de hogere sociale klasse en zullen nauwe contacten hebben onderhouden met de aanwezige Romeinen. De Romeinen beïnvloedden de lokale samenleving en zorgden ervoor dat het gebied een periode van voorspoed doormaakte. De inwoners profiteerden van een uitgestrekt handelsnetwerk, een goede infrastructuur en de stabiele politieke situatie. In de derde eeuw na Christus stopt de bewoning vrij abrupt: grote delen van Voorne-Putten veranderden weer in ontoegankelijk moerasachtig gebied.

Het handelsplaatsje Witla
Ca. 700-837
Witla is alleen bekend uit oude archiefstukken. Niemand weet waar het plaatsje op Voorne-Putten lag, want het is vernield door de vikingen en verwoest door een overstroming. De Vroege Middeleeuwen (ca. 400 – 1000) worden terecht als de Duistere Middeleeuwen aangeduid. Er zijn slechts weinig schriftelijke bronnen uit deze tijd bewaard gebleven, dus het is moeilijk en vaak zelfs onmogelijk de gebeurtenissen uit deze periode te reconstrueren. Ook wat betreft Voorne-Putten tasten we, afgezien van wat schaarse lichtpuntjes, in het duister.
Omdat er nooit archeologische resten van zijn teruggevonden, hebben tal van archeologen en historici zich het hoofd gebroken over de precieze locatie van het verdwenen handelsplaatsje Witla. De schaarse bronnen vermelden dat de nederzetting nabij de Maasmonding lag, maar dat is allesbehalve een duidelijke aanwijzing. Gezien de naam heeft Witla naar alle waarschijnlijkheid op Voorne-Putten gelegen, aan of nabij de Widele, de oude benaming voor een stuk van de Bernisse. Witla wordt voor het eerst genoemd in een akte die tussen 690 en 700 is opgemaakt: ,,Rathardus donavit in pago Fresinse alio locello cuius vocabulum est Witle’’. Ene Rathardus schonk met deze akte een boerderij met landerijen en vier horigen in Witla aan de Sint Pietersabdij bij Gent. Deze vroege vermelding maakt duidelijk dat Voorne-Putten al minstens één grootgrondbezitter kende die boeren als horigen aan zich had gebonden. Door de schenking aan de abdij wilde Rathardus een beter leven in het hiernamaals verwerven. De monniken van het klooster Fulda in Midden-Duitsland hielden een kroniek bij waarin zij elk jaar de belangrijkste gebeurtenissen noteerden. Deze Annales Fuldenses vormen daarmee een belangrijke bron voor historisch onderzoek. In de annalen over het jaar 837 staat een intrigerende opmerking: ‘’Normanni Andwerpam civitatem incendunt, similiter et Witlam emporium iuxta ostium Mosae fluminis’’. Het betekent letterlijk: ‘’Noormannen staken Antwerpen in brand, net als de stapelplaats Witla, gelegen bij de monding van de Maas’’. Daarmee kwam er een roemloos einde aan het bestaan van het handelsplaatsje. Het is de vraag of er ooit nog overblijfselen zullen worden gevonden. Nadat de Noormannen het dorpje met de grond gelijk hadden gemaakt, zullen de restanten waarschijnlijk tijdens de hevige stormvloed van 26 december 839 zijn weggespoeld. De handelsfunctie werd vervolgens overgenomen door Vlaardingen, dat qua ligging beter beschermd was tegen aanvallers.
De Heerlijkheid Voorne
Ca. 950-1372
Het waren de Heren van Voorne die het gebied tot ontwikkeling brachten. Zij gaven toestemming polders te bedijken, verleenden stadsrechten en lieten in Oostvoorne een kasteel bouwen. Omstreeks het jaar 950 schonk de Graaf van Holland het gebied Voorne aan één van zijn zonen. Het was het begin van de Heerlijkheid Voorne, een zelfstandig landje op de grens tussen Holland en Zeeland, dat ruwweg het huidige Voorne en Goeree-Overflakkee omvatte.
De Heren en Vrouwen van Voorne drukten in de loop der eeuwen een stevige stempel op het gebied: zij gaven toestemming gebieden te bedijken, verleenden stadsrecht aan Brielle en lieten een kasteel in Oostvoorne bouwen. Kortom, ze brachten Voorne tot ontwikkeling. De familiebanden zorgden ervoor dat de Heren van Voorne geen belasting hoefden te betalen aan de Graaf van Holland. En ze hadden vergaande rechten van hem gekregen, zoals het uitvoeren van de doodstraf en het oproepen van onderdanen voor hun leger. De macht en rijkdom van de Heren van Voorne werden bovendien nog vergroot door het ambt van Burggraaf van Zeeland. De Graaf van Holland was namelijk ook Graaf van Zeeland, maar hij liet er de Heren van Voorne als zijn plaatsvervanger de macht uitoefenen en de belasting innen. Als uiting van hun macht lieten de Heren van Voorne bij Oostvoorne een enorm kasteel bouwen. Veilig achter de duinen verrees een tien meter hoog gebouw met muren van twee meter dik. De bouw van deze versterking begon tussen 1175 en 1225 en werd in de loop der jaren uitgebreid. Rondom de burcht verrees een muur met uitkijktorens en op het naastgelegen terrein lieten de Voornes een ridderzaal, een kapel en stallen bouwen. Hier verbleef de hofhouding voornamelijk in het zomerseizoen, als het aangenaam toeven was in het woeste duinengebied en er volop gejaagd kon worden. Met de dood van de kinderloze Machteld stierf het geslacht Voorne in 1372 uit en daarmee viel de heerlijkheid terug aan de Graaf van Holland en Zeeland. Aalbrecht van Beieren verwierf zodoende de zeggenschap over Voorne. Hij werd later opgevolgd door Willem VI en vervolgens Jacoba van Beieren en haar man Frank van Borselen. De adel vertoefde echter steeds minder in het oncomfortabele kasteel in Oostvoorne en het hofcomplex in Brielle. Door achterstallig onderhoud verviel het kasteel langzaam tot een ruïne.

Het onstaan van het Haringvliet
1214-1314
Het Haringvliet ontstond omstreeks 1214 door een reeks zware stormen en overstromingen. De Heer van Voorne riep hulp in van Vlaamse monniken om verdere schade aan zijn land te beperken. De duinenrij die het vruchtbare land van Voorne beschermde raakte door een reeks zware stormen in 1214 zwaar beschadigd. Er volgden overstromingen waardoor de laaggelegen gebieden onder water liepen en het Haringvliet ontstond.
De Heerlijkheid Voorne verloor een flink stuk van het grondgebied en vormde niet langer één aaneengesloten gebied: het was een eilandenrijk geworden. Het water bedreigde meer stukken land en dat zette de Heren van Voorne ertoe aan de hulp in te roepen van de Cisterciënzerabdij Ter Doest, gelegen in het Vlaamse dorpje Lissewege. De monniken van dit klooster beschikten over de kennis om dijken aan te leggen. Dat was nodig om het Middellant (het tegenwoordige Rockanje) en de Oosthoek (het tegenwoordige Oudenhoorn en Nieuwenhoorn) te behouden. Door de inspanningen van de monniken werd het gebied weer veiliggesteld. Als dank voor hun hulp schonk Dirk van Voorne het Middellant en de Oosthoek aan de monniken van de abdij Ter Doest. ,,Een oud spreekwoord wil dat men in nood zijn ware vrienden leert kennen’’, zo begint de akte uit 1220 waarin Dirk de schenking officieel vastlegde. De Cisterciënzers behoorden tot een kloosterorde die ernaar streefde om woeste gebieden te ontginnen en in gebruik te nemen als wei- of akkerland. De Oosthoek voldeed aan de eisen van de monniken, die het gebied begonnen te bewerken. Ze stichtten er een uithof waar ze ongestoord in sobere omstandigheden leefden en werkten. Gemiddeld woonden en werkten er zo’n 250 mensen. De uithof bestond uit zo’n veertig woningen, een stenen woontoren en een houten kerk die door een begraafplaats werd omringd. Alles wijst erop dat het een bloeiende samenleving was, maar de Cisterciënzers begonnen meer waarde te hechten aan het vergaren van kennis dan aan het ontginnen van woeste landen. In 1314 verkocht Ter Doest de Oosthoek terug aan Gerard van Voorne. Kort daarop overstroomde het gebied, waardoor de uithof werd verwoest. In 1355 werd de Oosthoek deels bedijkt als de polder Oudenhoorn, in 1368 volgde het naastgelegen Nieuwenhoorn. Op dat moment herinnerde er al niets meer aan de vroegere uithof. Dankzij een archeologische opgraving konden veel gegevens over de vroegere samenleving worden achterhaald.
Jacob van Maerlant
Ca. 1261- ca. 1266
Jacob van Maerlant is de bekendste dichter uit de Middeleeuwen. Hij verbleef ruim vijf jaar op Voorne en schreef diverse boeken in de volkstaal, die veel gekopieerd en gelezen werden. Jacob van Maerlant groeide uit tot één van de belangrijkste middeleeuwse dichters, met een omvangrijk en indrukwekkend oeuvre. Zijn Nederlandstalige literaire verhalen, volksbijbel en encyclopedieën waren erg populair onder de adel en de gegoede burgerij.
Jacob van Maerlant is rond 1230 in de omgeving van Brugge geboren. Het blijft een raadsel hoe hij uiteindelijk op Voorne is beland. Waarschijnlijk hebben de connecties van de Heer van Voorne met de Vlaamse Cisterciënzers in Ter Doest ervoor gezorgd dat hij in deze streek terecht kwam. Aelbrecht, de toenmalige Heer van Voorne, wilde een klerk in dienst hebben voor het geval er een akte of oorkonde moest worden opgemaakt. Dat baantje vergde weinig tijd, zodat het kon worden gecombineerd met het kosterschap van het kerkje van Maerlant. Kennelijk was Jacob de aangewezen persoon voor die functie. Omstreeks 1261 arriveerde Jacob in Maerlant. Als koster van de Sint Pieterskerk zorgde hij voor het schoonmaken en onderhouden van het gebouw en trof hij de voorbereidingen voor de dagelijkse mis. Hij zal waarschijnlijk ook les hebben gegeven. Ook die taken namen niet al te veel tijd in beslag, zodat hij zich kon wijden aan zijn grootste liefhebberij: het dichten van historische verhalen. Zijn eerste werk was ‘Alexanders Geesten’, een biografie van Alexander de Grote. Het was een ridderroman, evenals zijn volgende boek ‘Historie van den Grale’, dat over Koning Arthur ging, en ‘Torec’, een sprookjesachtig avontuur over een prins die een magische diadeem moet vinden om tot koning te worden gekroond. Er komen reuzen en leeuwen, monsters en dwergen, een toverschip en een vergiftigd zwaard in voor. Er is zelfs een rolletje weggelegd voor ene Claes vanden Briele, ongetwijfeld een knipoog naar een inwoner van het naastgelegen vissersdorpje Brielle. Het boek ‘Historie van den Grale’ droeg Jacob van Maerlant bovendien op aan Aelbrecht van Voorne. Een dankbetuiging aan zijn beschermheer. Tijdens zijn verblijf in Maerlant schreef Jacob ook ‘Sompniarys’ en ‘Lapidarys’: boeken over dromen en edelstenen, die verloren zijn gegaan. Zijn ‘Historie van Troyen’ (1264) en ‘Heimelijkheid der heimelijkheden’ (1266) zijn wel bewaard gebleven. Na zijn terugkeer naar Vlaanderen in 1266 schreef hij nog twintig jaar verder aan zijn oeuvre.
Foto gemaakt door F. Keller
Door: drs. A. A. van der Houwen
Het kanon van de Brederode: een Deens geschenk.
In de hal van het Maerlant College aan de Burgemeester H. van Sleenstraat staat een eeuwenoud kanon opgesteld. Van nabij is de ouderdom er duidelijk van af te lezen. Het kanon heeft 250 jaar op de zeebodem gelegen, tussen de wrakstukken van het Nederlandse oorlogsschip de Brederode, dat in 1658 zonk in de Sont, de zeeëngte tussen Denemarken en Zweden. De tand des tijds en de uitwerking van het zeewater zijn goed zichtbaar. Oorspronkelijk woog het ijzeren stuk geschut 2.000 kilo, door corrosie weegt het momenteel niet meer dan 1.875 kilo. Het kanon werd in 1909 geborgen en door de Deense regering aan
ons land geschonken. Vervolgens werd het op verzoek van Brielle aan deze stad in bruikleen gegeven ‘om aldaar te worden tentoongesteld’.Het kanon herinnert aan de Brielse zeehelden Maarten Harpertsz Tromp (1598-1653) en Witte Cornelisz de With (1599-1658), maar is misschien nog wel meer een tastbare herinnering aan het schip de Brederode, waarop beiden overwinningen behaalden, maar waarop zij ook beiden sneuvelden.
De Brederode.
Het schip-van-oorlog de Brederode (1646-1658) was in zijn tijd een beroemd schip; op veel schilderijen is het afgebeeld. De Brederode behoorde tot de admiraliteit van de Maze en was gebouwd in Rotterdam onder leiding van de beroemde scheepsbouwmeester Jan Salomonsz. van den Tempel, die ook de Aemilia, het vlaggenschip van Tromp, heeft gebouwd. Toen het schip in 1646 van stapel liep was het het grootste en sterkste oorlogsschip van de Republiek; het voerde ruim vijftig stukken en had een bemanning van 270 koppen. Het werd vernoemd naar Johan Wolfert van Brederode (1599-1655), de Eerste Edele van Holland, en voorzitter van de Ridderschap en zwager van stadhouder Prins Frederik Hendrik. Het schip zou een roemrijke staat van dienst opbouwen.
Brielle: Tot aan de 15e eeuw, de stad ontstaat
Brielle heeft een historie die teruggaat tot het midden van de dertiende eeuw. In 1257 wordt in documenten al over Brielle gesproken, nog voor de dorpen Maerlant en Den Briel zich hadden samengevoegd. Ten tijde van ’de Romeinen’, was ons gebied overigens geen eiland; de overstromingen van duizend jaar later hebben dat teweeg gebracht.

In de elfde en twaalfde eeuw bestond Voorne uit een verzameling kleine en grote eilandjes, slikken e14e eeuwn zandplaten. Er vestigden zich boerenfamilies, die de moerassige veengronden ontgonnen en in gebruik namen voor landbouw en veeteelt. Deze in cultuur gebrachte gebieden werden echter regelmatig door de Noordzee en de Maas overstroomd en verwoest. De bewoners hielden vol en begonnen dijken aan te leggen. Oostvoorne, Rugge, Abbenbroek en Zwartewaal zijn de eerste polders die op deze manier opnieuw konden worden bewoond. Het zijn typische ringpolders waarvan de bedijking werd gevormd door natuurlijk grenzen als kreken, geulen en zandbanken. Langs deze polders slibden nieuwe gorzen (oevergebieden) aan, die eveneens werden ingepolderd.
Zo werd begin dertiende eeuw langs de polder Rugge een stuk land ingedijkt dat de naam Oosterland kreeg. Hier vormden mensen de nederzetting Maerlant en later ontstond iets zuidelijker tegen de dijk het dorpje Den Briel. De huidige Brielse Voorstraat en Nobelstraat zijn het zichtbare restant van deze dijk. Brielle had een gunstige ligging, aan de rivier de Goote, waardoor de verbinding met Vlaanderen en Brabant werd onderhouden. Zo kon de stad zich ontwikkelen tot een bloeiende handelsnederzetting.
In 1280 kreeg het toestemming van Aelbrecht van Voorne om twee vuurbakens op te richten. De schepen die deze bakens passeerden, moesten hiervoor een belasting betalen. De opbrengst ging deels naar de kerk en deels naar de Heilige Geest; de instelling die van overheidswege zorg droeg voor de armen. Uit 1346 stamt het oudste keurboek van Brielle, met 76 verordeningen die het openbare leven regelden. Twaalf jaar na de eerste stadsrechten had de stad al tal van regels gesteld aan de verkoop van verschillende goederen, zoals vlees, vis en drank, beperkingen aan gokken en het dragen van messen, en ook voorschriften opgesteld rond plechtigheden als dopen, trouwen en begraven.
De jurist Jan Matthijssen werd in 1401 benoemd tot secretaris van Brielle, en in die hoedanigheid beschreef hij omstreeks 1407 het middeleeuwse gewoonterecht zoals dat in die tijd in Brielle werd gehanteerd. Het rechtboek is bewaard gebleven en vormt een unieke bron, want het gewoonterecht werd over het algemeen niet op schrift gesteld. Zodoende biedt het boek een buitengewoon zeldzaam inkijkje in het oude vaderlandse recht.
Het kanon van de Brederode terug in het stadhuis van Brielle
Foto gemaakt door F. Keller
Door: drs. A. A. van der Houwen
Het kanon van de Brederode: een Deens geschenk.
In de hal van het Maerlant College aan de Burgemeester H. van Sleenstraat staat een eeuwenoud kanon opgesteld. Van nabij is de ouderdom er duidelijk van af te lezen. Het kanon heeft 250 jaar op de zeebodem gelegen, tussen de wrakstukken van het Nederlandse oorlogsschip de Brederode, dat in 1658 zonk in de Sont, de zeeëngte tussen Denemarken en Zweden. De tand des tijds en de uitwerking van het zeewater zijn goed zichtbaar. Oorspronkelijk woog het ijzeren stuk geschut 2.000 kilo, door corrosie weegt het momenteel niet meer dan 1.875 kilo. Het kanon werd in 1909 geborgen en door de Deense regering aan
ons land geschonken. Vervolgens werd het op verzoek van Brielle aan deze stad in bruikleen gegeven ‘om aldaar te worden tentoongesteld’.Het kanon herinnert aan de Brielse zeehelden Maarten Harpertsz Tromp (1598-1653) en Witte Cornelisz de With (1599-1658), maar is misschien nog wel meer een tastbare herinnering aan het schip de Brederode, waarop beiden overwinningen behaalden, maar waarop zij ook beiden sneuvelden.
De Brederode.
Het schip-van-oorlog de Brederode (1646-1658) was in zijn tijd een beroemd schip; op veel schilderijen is het afgebeeld. De Brederode behoorde tot de admiraliteit van de Maze en was gebouwd in Rotterdam onder leiding van de beroemde scheepsbouwmeester Jan Salomonsz. van den Tempel, die ook de Aemilia, het vlaggenschip van Tromp, heeft gebouwd. Toen het schip in 1646 van stapel liep was het het grootste en sterkste oorlogsschip van de Republiek; het voerde ruim vijftig stukken en had een bemanning van 270 koppen. Het werd vernoemd naar Johan Wolfert van Brederode (1599-1655), de Eerste Edele van Holland, en voorzitter van de Ridderschap en zwager van stadhouder Prins Frederik Hendrik. Het schip zou een roemrijke staat van dienst opbouwen.
Foto's van brielle:
Album not found.